De ultieme bestaansvraag
 

Vierentwintig eeuwen geleden werd al de klassieke dromersvraag door de Chinese denker Tsjwang Tse gesteld: ben ik nu Tsjwang Tse die gedroomd heeft dat hij een vlinder was of een vlinder die gedroomd heeft dat hij Tsjwang Tse was?

Eeuwen later heeft de Frans filosoof René Descartes (1596-1650), de grondlegger van het moderne rationalisme, getracht deze dromersvraag definitief te beantwoorden. Hij stelde klip en klaar: ‘Ik denk, dus ik besta’ (cogito, ergo sum). Maar om zijn bestaan denkend te kunnen bevestigen, had hij wel de hulp van een goede God nodig, waarvan verwacht moest worden dat Hij hem niet zou bedriegen. Nu twijfelen velen aan het bestaan van die goede God en daarmee aan het antwoord van Descartes op de dromersvraag, en blijven we weer in het onzekere omtrent ons bestaan. Is er een antwoord te geven op deze eeuwenoude dromersvraag?

Ja, dat antwoord is er en het is heel eenvoudig: ik besta zolang ik me van de mogelijkheid van mijn niet-bestaan bewust ben. Een vlinder is zich noch van zijn bestaan, noch van zijn niet-bestaan bewust. Dat schrijft Tsjwang Tse ook: ‘Eens op een dag droomde ik dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Tsjwang Tse was.’ De vlinder is zich van niets bewust, Tsjwang Tse is zich bewust Tsjwang Tse te zijn omdat hij ook niet Tsjwang Tse kan zijn.

Terecht merkt Tsjwang Tse dan ook op: ‘Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en de vlinder. Dat noemen wij dan maar de Verandering der Dingen.’ Die verandering der dingen ligt in het bewustzijn van mijn bestaan dat tegelijkertijd mijn niet-bestaan kan omvatten.